Bijvoorbeeld door het betrekken van de werknemers bij de inventarisatie van knelpunten én oplossingen.
Werkvloer onvoldoende betrokken bij RI&E
Onderzoeker Jan Popma constateerde in 2003 dat het droevig gesteld is met de inbreng van werknemers bij de RI&E. Zo was slechts 16 procent van de werknemers gevraagd om mee te denken over maatregelen en was 70 procent niet op de hoogte gebracht van de uitkomsten van de RI&E. Tegelijkertijd toonde de onderzoeker aan dat de kwaliteit van de RI&E aantoonbaar stijgt als werknemers er een stem in hebben.
Er is een behoorlijke kans dat de situatie sinds het onderzoek niet is verbeterd. Met de komst van allerlei digitale RI&E-instrumenten is het immers nog eenvoudiger geworden om zonder inschakeling van werknemers een RI&E-rapport op te stellen.
Wat zegt de wet?
In een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) legt een werkgever alle arboknelpunten in de organisatie vast en geeft aan welke maatregelen daarbij genomen moeten worden.
De Arbowet schrijft nergens voor dat werknemers betrokken moeten worden bij de totstandkoming van een RI&E. Wel heeft de OR tweemaal instemmingsrecht: helemaal aan het begin als de werkgever een voorstel maakt hoe het RI&E-onderzoek gaat verlopen, en aan het eind als het conceptplan van aanpak gereed is. En in beide gevallen kan de OR, met argumenten en het sterke instemmingsrecht in de hand, afspraken maken over betrokkenheid van werknemers. Zoals over het raadplegen van werknemers bij het RI&Eonderzoek en over het informeren van werknemers over het plan van aanpak en de voortgang van dat plan.
Tot slot: De kans is groot dat eind 2010 de wettelijke bepaling weer gaat gelden dat een werkgever aan iedere werknemer inzage dient te verlenen in de RI&E. Op verzoek hoort een medewerker ook een kopie van de RI&E te ontvangen. Deze bepaling was sinds 2007 vervallen, maar keert weer terug in de Arbowet.
Werknemersinbreng
Er zijn verschillende manieren en momenten om werknemers bij de RI&E te betrekken. Ten eerste ligt het voor de hand om op alle afdelingen werknemers naar hun eigen ervaringen en ideeën te vragen. Dat betekent dat degene die de risico-inventarisatie uitvoert (een externe arbodeskundige of de interne preventiemedewerker) voldoende tijd dient in te bouwen om diepgaand met uiteenlopende werknemers te spreken; van hoog tot laag en afkomstig van alle afdelingen. Sommige ondernemingsraden wijzen op de afdelingen aan welke werknemers daarvoor de meest geschikte personen zijn. Het is overigens bijzonder wijs om de medewerkers niet alleen naar arboknelpunten te laten vragen, maar ook naar de mogelijke oplossingen die zij zien.
Dat geldt ook voor de tweede manier van werknemersbetrokkenheid; de vragenlijst. Ga als OR vooraf goed na of de vragenlijsten goed aansluiten bij de werkpraktijk. Maak van tevoren ook afspraken hoeveel werknemers zo’n lijst toegestuurd krijgen.
Verder is het raadzaam om af te spreken dat de werkgever de concept-RI&E op de afdelingen laat bespreken. Uiteraard nemen de afdelingen dan met name dat deel van de RI&E onder de loep dat hun eigen werkzaamheden aangaat. De reacties worden vervolgens in de definitieve RI&E verwerkt.
Deze werkwijze kan herhaald worden bij het conceptplan van aanpak, dat na de RI&E wordt opgesteld.
Bij een goede uitvoering zal deze interactieve manier van werken ertoe leiden dat werknemers zich meer bewust worden van hun eigen arbeidsomstandigheden, dat ze zich gehoord voelen, en dat de RI&E en het plan van aanpak enorm aan kwaliteit en draagvlak winnen.
Koen Langenhuysen, trainer en adviseur van Fijn Werk
Bron: Praktijkblad Ondernemingsraad april 2010


waardoor je steeds op de hoogte bent van wat er in de maatschappij aan de hand is.
We houden voor u alle uitspraken bij die relevant kunnen zijn voor de OR. U vindt ze in de rubriek
Jij stelt dat de OR bij het begin, als de werkgever een voorstel maakt instemmingsrecht heeft op hoe het RI&E onderzoek zal verlopen. Ik heb dat een keer aangekaart bij het advokatenkollektief en hun reactie heb ik hieronder gekopieerd.
De advocaat ontraadde ons een procedure te starten.
Utrecht, 25 mei 2007
Betreft: RIE
Onze ref. 019763K / WK
Uw ref.
E-mail: w.kroft@advokatenkollektief.nl
Geachte heer Koeslag,
Onlangs heeft u mij een vraag voorgelegd betreffende het instemmingsrecht van de OR met betrekking tot de uitvoering van de RI&E.
Omdat mijn antwoord nogal afweek van hetgeen u ( en de OR) verwacht had en van de reacties van andere deskundigen spraken wij af dat ik mijn visie nader op papier zou zetten.
Met enige vertraging voldoe ik hierdoor aan die afspraak.
Het geschil.
Ondernemer en OR verschillen van mening over de vraag of het starten van de risico-inventarisatie onder het instemmingsrecht van artikel 27, lid 1 WOR valt.
Het standpunt van de ondernemer staat verwoord in zijn brief van 5 april 2007:
“Op grond van de WOR heeft de OR geen instemmingsrecht voor het uitvoeren van een RI&E. Wel is het zo dat het uiteindelijk vaststellen van de RI&E wordt gezien als het vaststellen van een regeling op het gebied van arbeidsomstandigheden, waarmee dit onderwerp valt onder art. 27, lid 1 onderdeel d. van de WOR.
Met andere woorden: de onderneming kan de inventarisatie en evaluatie zelf uitvoeren, maar zal de uitkomsten in de vorm van een voorgenomen besluit ter instemming aan de OR moeten voorleggen. Dat zal ik dus ook doen.”
En in zijn brief van 27 april zegt de bestuurder:
“Ik ben nog steeds van mening dat de OR geen instemming heeft over de start van de uitvoering van de RI&E’s. De OR heeft wel instemming, zoals eerder door mij schriftelijk aangegeven, over de vaststelling van de RI&E’s en het bijbehorende Plan van Aanpak. Ik zal u dan ook conform de wet hierover instemming vragen.”
Het standpunt van de OR staat verwoord in zijn brief aan de bestuurder van
29 maart 2007:
“De Ondernemingsraad verbaast zich over het bericht, want de OR heeft niet conform artikel 27, eerste lid onder d, van de WOR een instemmingsaanvraag ontvangen.”
Verder geeft de OR in deze brief een opsomming van een groot aantal onderwerpen die in het overleg met de OR – en naar ik aanneem ook in een instemmingsprocedure – aan de orde zouden moeten komen.
In een brief van 26 april wordt het standpunt van de OR nader toegelicht:
“Op 29 maart wees ik u erop dat conform artikel 27, eerste lid onder d van de WOR en de Memorie van toelichting op de arbeidsomstandighedenwet, aan de OR instemmingsrecht toekomt. Dat recht waar ik in die brief op doelde, gaat om instemming op de keuzevrijheid die er is met betrekking tot de inhoud en organisatie van de risico-inventarisatie en evaluatie.
Voorts verwijst de OR in die brief naar een mondelinge toelichting op 18 april en naar antwoorden verkregen van verschillende adviseurs.
Over de inhoud van die toelichting en van die antwoorden van de adviseurs staat echter verder niets op papier.
Instemmingsrecht
Ingevolge artikel 27 lid 1 WOR heeft de OR instemmingsrecht bij elk voorgenomen besluit van de ondernemer betreffende de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling betreffende de onderwerpen die verder in dat lid worden genoemd.
Het instemmingsrecht heeft derhalve betrekking op een regeling, dat wil zeggen een besluit van algemene strekking, inhoudende regelingen, maatregelen of voorzieningen die herhaald kunnen worden toegepast.
Het standpunt van de bestuurder dat hieronder onder meer valt de vaststelling van de RI&E en het bijbehorende Plan van Aanpak is naar mijn mening juist.
Dat kan worden gezien als een regeling met betrekking tot de arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim en reïntegratiebeleid als bedoeld in artikel 27, lid 1 onderdeel d WOR.
De OR claimt nu het instemmingsrecht met betrekking tot het uitvoeren van de risico-inventarisatie.
Maar dat is naar mijn mening een feitelijke bezigheid en geen regeling.
Alvorens te komen tot de vaststelling van een RI&E dienen de risico’s te worden geïnventariseerd. Die bezigheid hoeft op zichzelf geen onderwerp van een instemmingsaanvraag te zijn
De OR stelt dat de ondernemer een keuzevrijheid zou hebben met betrekking tot de risico-inventarisatie en dat om die reden er instemming gevraagd zou moeten worden.
Nu wordt er in de toelichting op artikel 27 WOR op meer plaatsen gesteld dat er sprake is van instemmingsrecht voorzover de ondernemer een keuzevrijheid heeft. Maar bepalend is niet de vraag of er keuzevrijheid is, maar of er sprake is van de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling.
En dan geldt in dit geval dat het inventariseren een bezigheid is en geen regeling.
Ik kan mij voorstellen dat de OR wensen heeft ten aanzien van die inventarisatie. Dat blijkt ook wel uit de brief van 29 maart.
Maar de daar genoemde aspecten kunnen nog voldoende aan bod komen bij de instemmingsprocedure over vaststelling van de RI&E en het Plan van Aanpak.
Zo kan de OR bij die gelegenheid bijvoorbeeld de instemming weigeren wanneer hij van oordeel is dat de inventarisatie op een onjuist wijze is uitgevoerd.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Mocht u nog vragen hebben of behoefte aan een toelichting, dan kunt u altijd contact opnemen.
Met vriendelijke groeten,
Willem Kroft