Hebben de beide ondernemingsraden dat adviesrecht ook als de ondernemers weliswaar geen officieel fusiebesluit hebben genomen, maar wel een intentieverklaring tot het aangaan van zo’n fusie hebben afgesloten? Dat was de vraag die de ondernemingskamer van het gerechtshof in Amsterdam, de rechter die dergelijke geschillen beslecht, enige tijd geleden moest beantwoorden.
De Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF), een koepel van patiëntenorganisaties wilde fuseren met de Chronisch Zieken- en Gehandicaptenraad (CG-Raad). Een officieel besluit met de naam fusiebesluit namen beide organisaties niet. Wel sloten ze een zogeheten 'intentieverklaring'.
De ondernemingsraden van beide organisaties vonden dat zij adviesrecht hadden en accepteerden de gang van zaken niet. Zij stapten naar de rechter en eisten alsnog hun adviesrecht op.
Maar er is nog helemaal geen fusiebesluit, was het verweer van NPCF en CG-Raad, dus onze ondernemingsraden hebben nog helemaal geen adviesrecht. Die intentieverklaring is volkomen vrijblijvend, waar maken de ondernemingsraden zich druk om?
Die ondernemingsraden waren het daarmee volkomen oneens. Volgens hen was de naam “intentieverklaring” ronduit misleidend. Aan de intentieverklaring was niets vrijblijvends. De verklaring was volgens hen in werkelijkheid een overeenkomst over een vergaande samenwerking, die op korte termijn in de praktijk gestalte zou krijgen.
De rechter gaf de ondernemingsraad van de NPCF, die als eerste de procedure had aangespannen gelijk. De CG-raad, waarvan de ondernemingsraad eveneens een procedure was begonnen, legde zich daar op voorhand bij neer.
De intentieverklaring, aldus de rechter, is zeker niet vrijblijvend. Integendeel: zij bevat al strakke afspraken over een intensieve samenwerking van de volledige organisaties. Afspraken die zeker niet kunnen worden teruggedraaid. Sterker nog: als een van de partijen zich er niet aan zou houden, zou die aan de andere partij een fikse boete moeten betalen. Kortom, aldus de rechter, er is wel degelijk sprake van een fusiebesluit en de ondernemingsraden zijn ten onrechte buiten spel gezet.
NPCF en CG-raad moesten als gevolg daarvan het fusiebesluit intrekken en het huiswerk overdoen en hun ondernemingsraden alsnog om advies vragen.
De reden? Een ondernemingsraad moet zijn adviesrecht op een goede manier kunnen uitoefenen, en op een moment dat het van wezenlijke invloed kan zijn. Beide ondernemers hadden in dit geval hun ondernemingsraden voor voldongen feiten gesteld, en dat wordt door de rechter niet getolereerd.
Conclusie:
Een intentieverklaring is niet adviesplichtig als het om een eerste, vrijblijvende date gaat. Maar zo’n verklaring is wél adviesplichtig als – zoals in dit geval – de huwelijksvoorwaarden al gedetailleerd zijn vastgelegd en het huwelijk (de fusie) in feite al beklonken is.
Ondernemingskamer Gerechtshof Amsterdam d.d. 20-01-2011, LJN: BP3004
Jan Harmen Baljet, advocaat bij Abeln Advocaten, gespecialiseerd in medezeggenschapsrecht.
Bron: Abeln Advocaten


Praktijkblad Ondernemingsraad is al decennialang het toonaangevende vakblad voor de OR.