Studieregeling

Tekst verkleinenTekst vergroten
Tekstgrootte:
0 reacties
15 maa 2011
De reistijd naar een studielocatie is te beschouwen als werktijd. Onthouding van instemming door de ondernemingsraad aan de studieregeling is niet onredelijk.
Studieregeling

De feiten

De ondernemingsraad van de Politie Zeeland heeft zijn instemming onthouden aan een voorgenomen
besluit omtrent een studiefaciliteitenregeling. In de voorgestelde regeling is opgenomen dat het reizen naar de trainingslocatie gedurende een half uur per enkele reis in eigen tijd geschiedt.

De Bedrijfscommissie

De bestuurder motiveert het reizen in eigen tijd vanuit de opvatting dat de medewerker zelf belang heeft bij het volgen van Integrale Beroepsvaardigheid Trainingen (IBT). Volgens de bestuurder is de reistijd naar de training te vergelijken met normaal woon-werkverkeer. Bovendien zou het aanmerken van reistijd als volledige werktijd niet mogelijk zijn, omdat dit op capaciteitsproblemen stuit.

De ondernemingsraad is van oordeel dat de gangbare praktijk sinds jaren is dat het reizen wordt aangemerkt als werktijd. De ondernemingsraad acht het niet reëel om een investering in eigen tijd aan de medewerker te vragen, aangezien het gaat om wettelijk verplichte cursussen. Aangezien de medewerker in zijn volledige uitrusting naar de IBT gaat, wordt hij door de burger op straat aangezien als zijnde in functie. Indien een beroep op hem wordt gedaan, dient de medewerker op te treden in bepaalde situaties. Er is dus sprake van werktijd, aldus de ondernemingsraad. De raad betwist bovendien dat capaciteitsproblemen zouden ontstaan als direct gevolg van de reistijden.

De Bedrijfscommissie komt tot de conclusie dat de werktijd aanvangt op het moment dat de medewerker zich van het bureau naar het IBT-centrum begeeft. De werktijd eindigt zodra hij na het volgen van de training wederom is gearriveerd op het bureau om zijn vuurwapen en dienstauto in te leveren. De commissie deelt derhalve het standpunt van de ondernemingsraad dat de reistijd als werktijd dient te worden aangemerkt.

Commentaar

De Bedrijfscommissie dient te beoordelen of de ondernemingsraad onredelijk handelt door zijn instemming aan de regeling te onthouden. Wordt deze vraag ontkennend beantwoord, dan zal de bestuurder met zwaarwegende redenen voor het uitvoeren van het besluit moeten komen.

In deze zaak oordeelt de commissie dat van onredelijk handelen door de ondernemingsraad geen sprake is. Evenmin acht de commissie zwaarwegende redenen aanwezig die de bestuurder nopen tot uitvoering van het besluit. De uitspraak van de Bedrijfscommissie is niet bindend. De bestuurder kan de kwestie aan de kantonrechter voorleggen.

 

Bron: Praktijkblad Ondernemingsraad 2006

0 Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Reageer op dit artikel

Naam :
E-mailadres :
Reactie
 
Onthoud mij
 

De gratis vragenservice van ORnet.nl geeft antwoord op veelgestelde OR-vragen. De vragen zijn afkomstig uit de praktijk. Heeft u zelf een vraag, gerelateerd aan medezeggenschap, die er nog niet bij staat?
Stel dan gratis uw OR-vraag »
De vragenservice is niet bedoeld voor individuele, arbeidsrechtelijke vragen.
 
De vragenservice wordt mede mogelijk gemaakt door GITP.

Praktijkblad Ondernemingsraad is al decennialang het toonaangevende vakblad voor de OR.


Bekijk de headlines van de meest recente uitgave »


Nog geen abonnee?
Probeer drie nummers voor € 9,99.